Sluiten

Recent ging journalist Orkun Akinci namens NOAD Magazine op bezoek bij Kees Kuijs, thuis. In een verzorgingstehuis in de Bredase IJpelaar tekende hij aan de hand van de geboren Noord-Hollander een prachtig verhaal op.

'Flarden van vroeger'

Op zijn kamer in het verpleeghuis helpen foto’s hem zijn bijzondere loopbaan te herinneren. Langzaam gaat Kees Kuijs met zijn rechterwijsvinger langs de elftalfoto. De NAC-spelers staan aan de vooravond van het seizoen 1958/1959 atypisch opgesteld, ver uit elkaar. Achteraan staat hij zelf. Vervolgens noemt Kuijs, langzaam maar zelfverzekerd, één voor één zijn ploeggenoten op. ‘Stan de Rijk. Frans Bouwmeester. Cock Luyten. Leo Canjels. Adrie Pelkmans. Puck Storimans niet te vergeten, daar kan ik hele verhalen over vertellen. Louis Overbeeke. Hein van Gastel.’ Dan richt hij met een glimlach zijn blik op. ‘Het was wel een stelletje, hoor. Ja, een aardig elftal.’

Het is een prachtig moment van helderheid. De herinnering aan zijn oude team brengt iets teweeg op het nog altijd krachtige gezicht van Kuijs. Dat is niet meer vanzelfsprekend. De recordinternational van NAC (43 wedstrijden voor Oranje, waarvan 39 in Bredase dienst) dementeert. Op de psychogeriatrische afdeling van zorgcentrum De IJpelaar hangt zijn kamer vol met foto’s. Beelden van zijn carrière, beelden van zijn familie. Ze helpen hem het leven te overzien.

Wanneer je bij hem binnenkomt, pakt hij je arm vast. Het fijne: Kuijs herkent nog iedereen die hij zou moeten herkennen. Toch woont hij hier nu al meer dan drie jaar. En wat voor iedereen met dementie geldt, geldt ook voor Kuijs. Hij gaat achteruit. Een indrukwekkende carrière als profvoetballer geeft geen enkele gezondheidsgarantie voor later. Ook als stoere verdediger kun je nadien celletje voor celletje aftakelen. Bij momenten probeert de familie er de luchtigheid van in te zien. Zoals in oktober, wanneer zijn zoon Kees junior tegen hem zegt dat NAC 3-3 heeft gespeeld tegen Heerenveen en Kuijs vraagt of Abe Lenstra meedeed.

Boosheid

Maar makkelijk is het niet. De omgeving helpt ook niet echt mee. Je kunt een keer lachen om een opmerking, nauwelijks een seconde later kan dementie zich in een verzorgingshuis weer van zijn wreedste kant tonen. Terwijl Kuijs zijn best doet om aan de hand van foto’s herinneringen aan Oranje op te halen, roept in de kamer naast hem een oude vrouw onophoudelijk om haar mama. Zelf heeft hij ook momenten dat hij boos of zelfs een beetje agressief wordt. Dat is volledig tegen zijn natuur in, maar hoort nu eenmaal bij de ziekte.

Vandaag beleeft Kuijs (‘Geen meneer Kuijs zeggen hoor’) een goede dag. Al begint hij ook op goede dagen vaak aan een zin die hij noodgedwongen afkapt, omdat hij na een paar woorden de draad kwijt is. Meestal accepteert hij het lot van ouderdom en tegenwerkende hersenen. Als Kuijs het antwoord op de vraag naar zijn leeftijd schuldig moet blijven, legt hij zich erbij neer. ‘Ik kan het niet meer aan’, zegt hij dan. ‘Niet zo makkelijk tenminste.’ Of dat moeilijk is? ‘Nee, ik vind het niet lastig. Eigenlijk niet. Ze zorgen hier goed voor me.’

Kopduels

Negen jaar geleden merkte de familie voor het eerst iets aan hem. De hond uitlaten ging niet meer zo goed, Kuijs begon ook anders te reageren op alcohol. NAH (niet-aangeboren hersenletsel) luidde de eerste diagnose. Kuijs, als voormalig hoofd van het revalidatiecentrum bekend met het menselijk gestel, was daar nog relatief gelukkig mee. Beter in elk geval dan Alzheimer, waarbij je vaak veel afvalt en op enig moment je naasten niet meer herkent.

Zijn drie kinderen zien een verband met zijn voetbalcarrière. Kuijs was nogal een fervente kopper in een tijd dat de ballen zich snel volzogen met water. Ook doordeweeks werd de bovenkamer niet gespaard. Kees junior vertelt hoe zijn vader tijdens trainingen langs galgen moest rennen met medicine ballen eraan. En maar koppen en koppen.

Op tafel ligt zo’n oude voetbal, een geschenk van de KNVB. Kuijs, dat is apart, kijkt er zelden naar om. In tegenstelling tot de foto erachter, die vaak zijn aandacht trekt. Het is een opmerkelijk en tegelijk indrukwekkend beeld. Kuijs poseert er in het shirt van Willem II. Samen met Faas Wilkes, Cor van der Hart, Abe Lenstra en de legendarische Hongaar Ferenc Puskas van Real Madrid, ook allen in Tilburgs tricot. Het betreft een jubileumwedstrijd van Willem II tegen een Duitse selectie, waarbij de thuisclub zich flink liet versterken door spelers van buitenaf. Minutenlang staart Kuijs naar het plaatje uit 1966. En één man in het bijzonder. ‘Moet je kijken’, fluistert hij. ‘Ferenc Puskas.’

whatsappimage2026 03 31at10.17.53

Legende

In 2018 werd Kuijs geëerd door het NAC Museum. Als Legend of the Match NAC – Heracles kreeg hij, samen met zijn twee kleindochters, een staande ovatie van een vol stadion. De stopperspil van weleer heeft het een prachtig eerbetoon gevonden, maar weet er nu niets meer van. Het is ongeveer sinds die tijd dat Kuijs ook geen wedstrijden meer bezoekt. Want tot ver in de tachtig zat hij nog samen met zijn Maartje in het Rat Verleghstadion. NAC betekende nog altijd veel voor de van oorsprong Noord-Hollander.

Maartje. De naam van Kuijs’ grote liefde is gevallen. Ze is zes jaar jonger dan hij en verblijft in hetzelfde zorgcentrum. Dichtbij en ver weg tegelijk, want haar afdeling ligt twee verdiepingen hoger. Het zijn gescheiden werelden. Twee jaar woonde ze na het vertrek van Kees nog zelfstandig, totdat ook bij haar het geheugen te veel gaten ging vertonen. Twee tot drie keer per week brengen de kinderen het echtpaar samen. Doorgaans op de kamer van Maartje, die huiselijker is en daarmee gezelliger oogt. En dankzij de meubels van vroeger ook herkenbaarheid geeft.

Middagborrel

Ze maakt het altijd gezellig als Kuijs met een van de kinderen binnenstapt. ‘Hallo schat’, zegt ze wanneer hij de afstand achter zijn rollator en via de lift heeft afgelegd. Ze kust hem op de wang. ‘Dag lieverd’, beantwoordt hij het liefdesgebaar. Dan vult Maartje schaaltjes met kleine stoopwafels en nootjes, een van de kinderen schenkt witte wijn in (alcoholvrij) en de middagborrel neemt een aanvang. Het is een ritueel geworden, als de vorm van de dag het tenminste toelaat. Je moet de dagen waarop de geest wil meewerken zo goed mogelijk benutten.

Echte gesprekken kunnen ze niet meer voeren. Hoewel beiden dementeren, functioneren Maartje en Kees op een ander niveau. Hij is meer in zichzelf gekeerd, zij praat volop. Maar wel in het verleden. Bijvoorbeeld over haar tijd op Curaçao, waar de twee elkaar ontmoetten toen Kuijs daar met Oranje verbleef. ‘Later schreef hij een brief. Of ik naar Holland wilde komen. Dat heb ik nog gedaan ook. Maar ik ben niet met hem getrouwd, toch?’

Ook de kamer van Maartje hangt vol met herinneringen aan de carrière van haar echtgenoot. Een prent van Dik Bruynesteyn naar aanleiding van een bikkelharde interland tegen Oostenrijk. De boekenserie ‘Oranje toen en nu’. De aanvoerdersband met Kuijs’ beeltenis die Menno Koch droeg tijdens de genoemde wedstrijd tegen Heracles. En het glazen beeldje dat het NAC Museum hem die dag cadeau deed.

Trotse echtgenoot

Na een klein uurtje, de glazen zijn in de tussentijd nog eens bijgevuld, nemen ze weer afscheid van elkaar. Daar is weinig emotioneels aan, Maartje en Kees nemen de situatie zoals ze is. Trots is hij wel op zijn echtgenote. Eerder op de middag, bij een foto van Maartje, liet Kuijs dat duidelijk merken. ‘Dat is mijn vrouw’, zei hij nadrukkelijk. En keek er nog steeds verliefd bij.

De foto’s kleuren het leven. Ze halen af en toe een flard van vroeger naar boven. Een vleugje herkenbaarheid van een dierbaar verleden. Kuijs op de schouders van een mensenmassa in Düsseldorf, na een legendarische overwinning op wereldkampioen Duitsland (‘Dat was niet mis, hè’). Kuijs met de andere NAC-internationals Leo Canjels en Kees Rijvers (‘Die kleine’). Kuijs die in het Olympisch Stadion naar het hoofd grijpt bij een doelpunt van Blauw Wit. En bij elk beeld zoekt zijn rechterwijsvinger naar details die iets oprakelen.

Zonder foto’s lukt het niet meer. De meeste belangrijke van zijn 259 wedstrijden voor NAC, de verloren beslissingswedstrijd om het landskampioenschap tegen Rapid JC in 1956, is bijvoorbeeld uit het geheugen gegrift. ‘Ik weet het even niet. Zelfs dat kan ik me niet herinneren.’ Maar ook nu klinkt geen pijn door in zijn stem. Kuijs accepteert dat het zo is.

ms18110382539

Meezingmiddag

Soms zie je nog de sportman in hem terug. In zijn stoel strekt hij geregeld de benen voor zich uit, om de bovenbenen in conditie te houden. Sowieso oogt hij voor een 94-jarige nog fit. Kuijs is nog regelmatig in de gezamenlijke woonkamer te vinden, bijvoorbeeld om een potje te dammen. Bij activiteiten, zoals een meezingmiddag, is hij doorgaans ook van de partij. Eén ding is wel jammer. Veel mensen leven geen drie jaar meer als ze eenmaal in een verzorgingshuis wonen. Neem de opa van Matthijs de Ligt, die hier ook verbleef en met wie Kuijs vaak op televisie naar sportwedstrijden keek. Hij is overleden, zoals Kuijs hier al zo veel mensen overleefde.

‘Wie A zegt, moet ook B zeggen’, mompelt hij wanneer hem wordt gezegd dat hij een volhouwer is. Kuijs moet zelf een beetje lachen om zijn grapje. Bij het afscheid pakt hij nogmaals je arm vast, net als twee uur eerder. Wie hij voor zich heeft, weet Kuijs eigenlijk niet. Even denkt hij aan ‘de heer Pouw’, de conditietrainer bij wie hij zeventig jaar geleden na zijn komst vanuit Haarlem tijdelijk inwoonde. ‘Ach, het is zo ingewikkeld’, zegt hij als dat niet zo blijkt te zijn. Dan draait het hoofd dat zo veel ballen wegkopte, zich naar je toe en volgt er een lange en voor zijn leeftijd stevige handdruk. Twee ogen kijken je doordringend en welgemeend aan. ‘Bedankt’, zegt Kees Kuijs hartelijk. ‘Bedankt voor uw belangstelling.’

Rust zacht, heer Kuijs. 


Tekst: Orkun Akinci / NOAD Magazine

Fotografie: Reijer van Kasteren / Maurice van Steen / Nationaal Archief 

ms21081377649[1]

Ook een wedstrijd van NAC bijwonen?

Wil jij een keer een Avondje NAC bijwonen? Dat kan! Klik op de button hieronder en bestel je tickets.